Zondagmiddag

 

 

Dwars over het gras voor de kerk komt een man aangelopen. Een flard van mistig wit haar rondom zijn hoofd spaart zijn kruin en gezicht uit. Zijn rechterhand omklemt de knop van zijn wandelstok. Bedachtzaam tilt hij zijn linkerbeen zijn voet van de grond. De voet bungelt los en stuurloos en tast af de afstand tussen zijn voet en de grond.


Gefascineerd kijk ik naar de man en volg zijn beweging nauwgezet. Als de voet eenmaal weer op de grond staat, herhaalt het tafereel zich maar nu met zijn rechtervoet.


Eén meter in drie minuten. Stillezen in een lichaam. Dan is hij eindelijk bij zijn fiets aangekomen. Een oud degelijk zwart ding. Hoe zal hij op de fiets komen, verwonder ik mij. Het evenwicht dat nodig is om te kunnen fietsen, ontbeert hem al in het lopen.


Met dezelfde concentratie als in zijn lopen, leunt hij met één hand op zijn stok en met de ander op het stuur van de fiets. Zoekend naar zijn evenwicht bevriest hij en tilt zijn rechtervoet over het frame. De voet zoekt de pedaal. Dan met een bijna sierlijke zwaai, wipt hij zijn billen op het zadel. Hij zit.


Trots en triomfantelijk zet hij zich met zijn rechterhand af van de lantaarnpaal en fietst weg. Dit heeft hij vaker gedaan. In een vloeiende beweging zwiert hij de straat over. Even hoop ik dat hij zich zal omdraaien en zijn hand zal opsteken: “Tabé!”.